Verglijdend perspectief

Sinds de kwestie-Fabre is losgebarsten, zijn er veel meningen uitgesproken. Ze geven een breed, gedifferentieerd beeld van onze perceptie, zij het dat, globaal genomen, Fabre er niet goed uitkomt, en er zeker niet mee lijkt weg te komen. So far so good.

Een enkele mening doet me de wenkbrauwen fronsen: sommigen verleggen Fabres persoonlijke verantwoordelijkheid voor zijn terreurdaden naar “het systeem”, alsof al wie podiumkunst maakt een perverse persoon is omdat hij of zij werkt in dat systeem. Dat is een denkfout die “bonafide” makers pijn moet doen. En het was toch niet zo heel moeilijk om bijvoorbeeld bij Alain Platels Gardenia destijds lijfelijk gewaar te worden met hoeveel liefde en genegenheid en respect en warmte dit niet zo evidente thema door alle betrokkenen theatraal zicht- en tastbaar was gemaakt.

Jan Fabre mag niet verschoond worden als gedupeerde van een systeem, zijn wangedrag heeft niet alleen het #MeToo overschreden, want ook mannen zijn gekraakt, zij het niet seksueel; zijn gedrag mag nu bovendien niet worden toegedekt met de mantel der liefde voor een zogeheten groot kunstenaar. Julie Cafmeyer legt ook sterk de nadruk op die “structuur”, maar verwoordt het wél correct als ze zegt (DM 15-09-2018): “Als ik naar het theater ga, wil ik niet naar autoritaire verhoudingen [moeten] kijken.”

Guido Van Meir – hij schreef reeds in 1987 De stoel van Stanislavski als aanklacht tegen de grensoverschrijdende methode van Fabre – besluit in DM 17-09: “Fabre bracht het echte lijden op scène, maar dan geësthetiseerd. Zeer gevaarlijk.” Daar hoeven geen tekeningetjes meer bij…

Advertenties

Fabre: publiek schuldig verzuim?

Het enige echt verrassende aan de aantijgingen die Jan Fabre dezer dagen voor de voeten worden geworpen, is dat het decennia geduurd heeft voor het er van kwam. Wie immers zijn eerste theatrale presentaties goed lás, had toen al moeten doorhebben dat het projecties waren van een ziekelijk geobsedeerde mens. Geobsedeerd door lichaamssappen als bloed, urine, zweet, sperma, vaginaal vocht; het menselijk lichaam uitsluitend kunnen zien in zijn naaktheid, ontdaan van alle warme omhulling. Fabre noemt dat “onderzoek naar”. Kul.

Nog onlangs, in juni van dit jaar, bij de VRT, had hij het over de secret bond tussen regisseur, choreograaf, acteurs, dansers – een geheim verbond dat hij dringend nodig heeft om door vernedering, uitbuiting, onderdrukking, onderwerping, intimidatie, repressie, manipulatie… zijn mensen te laten huilen, krijsen, kerven, bloeden, masturberen, urineren, tot ze uitbarsten in tranen en ontdaan van eigenwaarde en zelfrespect psychologische hulp moeten zoeken of in de psychiatrie terechtkomen, zoals zijn grote muze Els Deceukelier overkwam. Zij, die op zeventienjarige leeftijd bevangen werd door de goeroe of sekteleider die Fabre was. (Lezenswaardig: De Standaard 04-01-2011.) Het paste in de oedipaal getormenteerde theatermaker, de man met het moedercomplex, vastgelopen in zijn anale ontwikkelingsfase van poep-pies-kak.

“Leven met mij is horror. Ik verbrand mensen, al die vrouwen moeten geweldig afgezien hebben met mij. Maar ik ben empathischer geworden, en dus zeg ik aan een vrouw die dichterbij komt: het is beter dat je daar blijft.” (DSNieuws 12-03-2016)

Zo gaf hij zelf expliciet toe hoe gevaarlijk hij is. Ik heb in de vroege jaren 1990 in Rotterdam een Vlaamse jongeman ontmoet die naar Nederland was uitgeweken om aan de terreur van Fabre te ontsnappen. Een finaal mentaal gebroken mens. Een naaste assistent van Fabre bevestigde nadien mailgewijs mijn observatie van Afbraakwerken Fabre. Zij het vergoelijkend.

De (ex-) medewerkers m/v die nu de strapatsen van Jan Fabre in de openbaarheid brengen, hebben het terecht over het schuldig verzuim van al wie ervan wist. Dat zijn niet alleen de directe collega’s!

Wijzelf – publiek, bestuurders, cultuurwaarnemers, theaterwetenschappers, critici, recensenten, intendanten van cultuurhuizen, organisatoren van festivals, prijzenuitreikers – we hadden het allemaal kunnen weten als we Fabres exploten eens goed “gelezen” hadden. Zelfs een minder ervaren theaterbezoeker als ik, zag op welke onterende wijze Jan Fabre zijn voorstelling had gemaakt. Ik heb er maar één willen zien – dat volstond. Maar ondertussen bekruipt me het gevoel mede schuldig te zijn aan schuldig verzuim. En voor mijn brood afhankelijk van de meester-manipulator, was ik niet, net als vele anderen die nu roepen dat het allemaal een publiek geheim was. Publiek schuldig verzuim, ja.